Roos Haase, slachtoffer en pleegmoeder

Twee uur oud: de eerste acte van mijn drama pleegkind.
Kind van de Staat en niemand heeft ingegrepen.
Kind van een Voogdijvereniging en niemand stak een hand uit.
Pleegzorg ging toen over grote mensen.
Terwijl ik dacht dat het over kinderen ging.

Bij andere kinderen was alles gewoon, dus veel beter.
Liefde en leiding gingen daar hand in hand.
Warmte, veiligheid en voorspelbaarheid als orde van de dag
Liefde was voor mij: geslagen worden tot je erbij neervalt.
Warmte was voor mij: vernederd worden en verkracht.

Heel even weet ik nu weer wie ik ben.
Dochter, moeder en grootmoeder.
Functies in relatie tot kinderen, wezenlijke functies.
Maar het kind zelf, het kind in mijzelf?
Lief klein kind, waar ben jij gebleven?

Dat kind heeft zich heel lang verstopt.
Dat kind staat klaar voor zoveel andere kinderen.
Dat kind doet goed aan zo veel andere kinderen.
Dat kind neemt zoveel andere kinderen bij de hand.
Dat kind beschermt kinderen, beschermt kinderen.

Omdat dat kind weet, hoe fout grote mensen kunnen zijn.
Omdat dat kind weet, hoeveel pijn
grote mensen kunnen doen.
Omdat dat kind weet, dat vernedering zo veel vormen heeft.
Omdat dat kind de hand kent, die aait.
Omdat dat kind weet, dat aaien eindigt in slaan.

Hulpverlener, hoe vaak heb ik om je geroepen?
Hulpverlener, waarom stond ik bij jou ook altijd in de kou?
Hulpverlener, waarom mocht ik jou niet leren vertrouwen?
Hulpverlener, van wie mocht je mij niet zien staan?
Hulpverlener, waarom was jouw wereld zoveel groter dan de mijne?

Heel even weet ik nu weer wie ik ben.
Dochter, moeder en grootmoeder.
Nog steeds beladen met schuld en met schaamte.
Nog steeds in de ban van die dodelijke angst.
Schuld, schaamte en angst hebben mij nooit verlaten.

Daar lig je dan, op het grote bed van pappa en mamma.
Helemaal alleen, pappa en mamma zijn weg.
Mamma is werken en pappa is een vreemde meneer.
Het enige wat je wilt is gillen, heel hard gillen.
Maar hoe je ook gilt, er komt geen geluid.

Iemand heeft jou je kleren uitgetrokken.
Hij heeft je niet voorgelezen en welterusten gezegd.
Al die andere geluiden zijn je altijd zo bijgebleven.
Geluid dat je bang heeft gemaakt, zo eindeloos bang.
Zo bang, dat je de dood uit je slaap houdt.

In de greep van de angst, de alles verlammende angst.
Zakdoekje leggen, niemand zeggen,
ik heb de hele dag gedaan……
Nou ja, aan mamma kan ik het wel vertellen.
Binnen kunnen de handen van mamma aaien en slaan.
Buiten vertel je dat je van de trap bent gevallen.

Zou het andere kinderen ook zo vergaan?
Spelen wel gewoon op straat, op de stoep en het pleintje.
Er is niks aan de hand, ik stel mij aan.
Ik moet niet te veel denken, zegt mamma altijd.
Ik ben gewoon te klein, zegt die geen pappa-meneer.

Waarom is er altijd een volgende, een volgende
en een volgende keer?
Heel stil zijn, dan is het sneller voorbij.
Niet meer verzetten, dan is het sneller voorbij.
Andere kinderen zijn altijd zo vrolijk.
Waarom zit ik in een hoek, zo schuw en voorzichtig?

Hulpverlener,heb jij ooit naar een kind geluisterd?
Hulpverlener, weet jij wat een kind denkt, zegt en doet?
Hulpverlener, waarom was ik het voorwerp van jouw machtstrijd?
Hulpverlener, ken jij de taal van het innerlijk huilen?
Hulpverlener,waarom loopt bij jou geen traan in het oog?

In mijn hoekje wordt het donker steeds donkerder.
In het donker doen schoppen en klappen niet zo’n pijn.
De pijn wel, maar het eigen bestaan niet meer voelen.
Dat is het ergste van pijn lijden : niets en niemand meer zijn.
Waarom kunnnen grote mensen mijn pijn niet meer zien?

Dit verhaal durf je aan niemand meer te vertellen.
Omdat de grote mensen je gewoon niet geloven.
En omdat je niet dood wil, want dat hebben ze gezegd.
Dat is die stem die altijd met je meegaat.
Als jij gaat praten, maak ik je dood.

Van mamma heb ik steeds weer een andere pappa.
Als hij je naar bed brengt,
gaan de kleren en de pyama op de grond.
En dan……mag je het huis uit, logeren bij een vriendinnetje.
Eindelijk vrij, eindelijk rust, eindelijk geen angst.
Totdat haar grote broer doet wat ik nog nooit heb gewild.

Van mamma moet ik steeds vaker uit logeren.
Steeds meer vriendinnetjes, maar daar gaat het niet om.
Het gaat altijd om broers en zoveel andere pappa’s.
Daag mij niet uit, zegt zo’n pappa dan.
Uitdagen, zeg ik, zijn nog erger dan thuisdagen………

Van mamma moet ik steeds dunnere jurkjes.
Zolen en hakken, en heel veel make-up.
Dan maken ze foto’s en krijg ik veel snoepjes.
Die andere pappa ’s doen wat ze altijd doen.
Totdat limonade geen limonade meer is.

Het was maar één glas en ik moest het drinken.
Daarna van de kaart, geen herinnering meer.
Het moest weer van mamma, die zei dat het goed was.
Dan ben je slaapdronken, zei mamma altijd.
En dan is er de dag dat ik kan vluchten.

Hulpverlener, waarom ben ik ook voor jou op voorhand een leugenaar?
Hulpverlener, waarom ben ik ook door jou nooit geloofd?
Hulpverlener, waarom moest ik ook door jou altijd worden ontkend?
Hulpverlener, waarom is mijn jeugd ook door jou van mij afgepakt?
Hulpverlener, waarom schaam jij je niet voor al mijn vragen?

Zo kijk ik terug op een jeugd die geen jeugd was.
Ik mocht nooit gewoon kijken, want dan daagde ik uit.
En toch weet ik de blik van mijn eerste vriendje.
Zo teder, zo schattig, zo eerlijk, zo lief.
Heb ik hem verteld wat ik al had verloren?

Nu sta ik hier, oud, wijs en sterk.
De schande en de schaamte volledig voorbij.
Een blok beton tegen het misbruik van kinderen.
Woede en boosheid liggen al in hun graf.
De angst voor die dood is echt heel ver weg.

Wat mij is gebeurd, zal niemand overkomen.
Mijn heilige eed, ieder uur van de dag.
Overleven is geworden tot opnieuw leren leven.
Omdat vergeten niet gaat, geen uur, geen minuut.
Daarom vraag ik u te leren vergeven

DAAROM vraag ik u, te leren vergeven
Daarom vraag ik u te LEREN vergeven
Daarom vraag ik u te leren VERGEVEN.

Dank u wel.

LIEVE HUUB DANK VOOR AL JE HULP WARMTE GEDULD EN VOORAL
VERTROUWEN IN MIJ,XXX ROOS.

Door op Het boek: Crisiskinderen

 

Pin It on Pinterest

Share This